Ontdek hoe innovatie, data en samenwerking Europa sterker kunnen maken.
Soms stoot je op iets dat je echt aan het denken zet. Voor mij was dat de podcast De Havermelkelite (The Oat Milk Elite), die me op een grappige maar confronterende manier een spiegel voorhield. Ken je de term niet? Dan raad ik je aan te doen wat elke Gen Z’er zou doen: zoek het op via ChatGPT. De podcast vat de wereld van jonge, hoogopgeleide stedelingen perfect samen: dezelfde trendy interieurs, havermelk-lattes en zorgvuldig samengestelde Instagramposts. Hij onderzoekt hoe je de ‘havermelkelite’ wereldwijd herkent en hoe opvallend hard ze op elkaar lijken. Toegegeven, het was een beetje confronterend om te zien hoeveel ik erin herkende – ja, ook ik kies vaak voor die veel te dure zeep of die trendy schoenen die iedereen lijkt te hebben.
De aflevering die het hardst binnenkwam, ging over het subtiele nihilisme van onze generatie. Gen Z lijkt een deel van haar activistische vuur te verliezen. Jarenlang hoopten we op een betere wereld, maar toenemende geopolitieke spanningen, economische uitdagingen en de klimaatcrisis maken ons vaak onverschillig. Ik merk hoe mijn eigen activistische drive van vroeger soms plaatsmaakt voor gedachten als ‘Zo werkt de wereld nu eenmaal’.
Het beeld van een moreel superieure westerse wereld brokkelt af. Als je ziet hoe verdeeld Europa reageert op conflicten in het Midden-Oosten, hoe de opmars van extreemrechts het ongenoegen van mensen weerspiegelt, of hoe klimaatactie op de prioriteitenlijst lijkt weg te zakken, dan is het begrijpelijk dat velen een soort existentiële apathie voelen. Net die mindset wil ik uitdagen.
Achter het Instagramprofiel van iemand zoals ik – met het label Gen Z – schuilt een ander verhaal. Een verhaal van hoop en een verlangen naar actie. Want ook al voelt het soms alsof de wereld in brand staat, er is nog zoveel dat ons kan inspireren. In veel opzichten is de wereld beter dan ooit. Innovatie gaat razendsnel, mensen leven langer en gezonder, en ondanks crisis na crisis blijft de economie verrassend veerkrachtig. En Europa? Ik geloof nog altijd dat het een van de beste plekken ter wereld is om te leven. Maar die positie is niet gegarandeerd. Als we onze vrijheden, onze manier van leven en onze unieke plek in de wereld willen behouden, moeten we blijven investeren in vooruitgang.
De geschiedenis toont keer op keer dat innovatie het mondiale machtsevenwicht verschuift. Spoorwegen maakten grootschalige handel mogelijk. De industriële revolutie gaf Europa een voorsprong die decennia standhield. En de atoombom – zoals Oppenheimer zo levendig liet zien – herschreef de wereldorde in één klap. Vandaag staan we aan de vooravond van een nieuwe revolutie: AI. Deze technologie heeft het potentieel om alles wat we weten over economie, samenleving en macht te hertekenen. Maar zoals elke grote sprong voorwaarts begint het met een stevig fundament. Voor AI is dat fundament data – kwalitatieve, toegankelijke data.
Bij FTI helpen we bedrijven om hun data toegankelijk te maken, door datadelen rendabel te maken en drempels weg te nemen. Ons doel is duidelijk: datasets van verschillende partijen samenbrengen om nieuwe inzichten en doorbraken mogelijk te maken.
We willen innovatie versnellen en Europa helpen om nog een paar unicorns voort te brengen. Dat is niet alleen essentieel voor economische groei – het is cruciaal om onze unieke positie in de wereld te behouden.
Eerlijk? Voor ik bij FTI begon, was de wereld van datadelen grotendeels onbekend terrein voor mij. Mijn vorige ervaring in de FMCG-sector draaide rond tastbare, concrete producten. De overstap naar data en innovatie voelde eerst abstract, maar net dat maakte het zo intrigerend.
In je eerste zes maanden in een job heb je vaak een frisse blik. Het is een periode waarin je nog niet gewend bent aan ‘hoe de dingen hier gaan’ en nog durft te vragen: ‘Waarom doen we het niet anders’? Die blik wil ik hier vastleggen, want ik merk dat gesprekken over datadelen vaak in dezelfde valkuilen trappen.
Organisaties zijn meestal voorzichtig. De focus ligt vaak op wat niet kan, wat niet mag, of op de regels die ons tegenhouden. Angst en regelgeving overheersen, terwijl het gesprek over mogelijkheden, kansen en innovatie naar de achtergrond verdwijnt. Ik heb ook geleerd dat het contrast met andere delen van de wereld, zoals de VS en China, groot is. Daar lijken beperkingen kleine obstakels, waardoor bedrijven enorme vooruitgang boeken. Zonder te oordelen over welke aanpak beter is: het valt op hoe Amerikaanse en Chinese bedrijven terrein winnen, terwijl Europese bedrijven telkens weer tegen hun eigen muren botsen.
Saboteren we met onze regelgeving onze eigen vooruitgang en smoren we innovatie in de kiem?
Als Gen Z’er ben ik opgegroeid in een wereld waarin data voortdurend verzameld en gedeeld wordt. Voor ons is datadelen een evidentie – een ruil die we aanvaarden voor technologie, gepersonaliseerde content en connectiviteit. Maar die aanvaarding komt met een duidelijke verwachting: datadelen moet eerlijk en transparant zijn, en voordeel opleveren voor beide kanten.
We willen weten wat er met onze data gebeurt, wie ze gebruikt en vooral: waarom. Zonder die duidelijkheid riskeren organisaties vertrouwen te verliezen, wat leidt tot aarzeling die de verlamming alleen maar groter maakt. Gen Z is bereid om data te delen, als het ons – of de samenleving – iets oplevert. Denk aan betere gezondheidszorg dankzij data-analyse, innovaties in mobiliteit of initiatieven die bijdragen aan een duurzamere wereld. We zien het potentieel, maar raken vaak verlamd door angst voor misbruik of controleverlies.
Dat is de paradox: we snakken naar innovatie, maar door onze focus op risico’s zien we kansen over het hoofd.
De sleutel ligt in het vinden van evenwicht. Hoe kunnen we data gebruiken op een manier die vertrouwen opbouwt en tastbare voordelen oplevert? Het succes van datadelen hangt niet alleen af van technische oplossingen; het hangt ook af van hoe we het verhaal erachter vertellen. Het is aan ons – Gen Z en andere generaties – om voorbij de angst te kijken en de kansen te grijpen die datadelen biedt.
Wat me ook opvalt – en eerlijk gezegd frustreert – is het gebrek aan eigenaarschap dat ik tegenkom, niet alleen op nationaal niveau maar ook in het dagelijkse werk. De voorbije maanden sprak ik met talloze mensen uit verschillende organisaties en op alle niveaus. Aan visie geen gebrek, maar die visie loopt vaak vast in ‘praktische bezwaren’ of in het doorschuiven van de schuld naar ‘de ander’
Iedereen lijkt zijn eigen belangen te beschermen. We praten over samenwerking en verbinding, maar denken in termen van ‘Hoe krijg ik het grootste stuk van de taart?’ in plaats van ‘Hoe maken we samen de taart groter?’ Die dynamiek zie je ook in de politieke besluitvorming. Partijen slagen er moeilijk in om hun eigen agenda te overstijgen, en in die impasse verliezen we kostbare tijd en terrein aan echte concurrenten. Of, om een cliché te gebruiken: als twee honden vechten om een been, loopt de derde ermee heen.
Maar ik weiger me daarbij neer te leggen. Ik geloof dat we die cirkel kunnen doorbreken. Door innovatie aan te wakkeren kunnen we die grotere taart maken, samen, en ervoor zorgen dat Europa een stevig stuk behoudt – niet uit imperialistische ambitie, maar om onze vrijheden en onze manier van leven te beschermen.
Over een paar maanden hoop ik te kunnen zeggen dat we vooruitgang hebben geboekt. Dat ik erin geslaagd ben om weg te blijven van excuses over overregulering, praktische drempels of ‘de ander’. En dat ik blijf werken met een optimistische houding tegenover de verandering die ik voor ogen heb – nippend van mijn havermelk-latte terwijl ik een Instagramfoto post van mijn veel te dure handzeep. Want die zeep is wel fijn, maar ik hoop een grotere impact te hebben.